Zondag, 1 oktober 1944, ’s avonds (bij de heer Janssen, Ede)

Het is zover gekomen. We hebben ons huis moeten verlaten en zijn nu aangekomen in Ede bij boer Janssen die ons gastvrij ontving. Wij moeten allemaal in het stro slapen, maar we zijn o zo gelukkig dat we tenminste een dak boven ons hoofd hebben en eens kunnen uitrusten zonder de angst dat ons elk moment een granaat kan treffen.

Maar laat ik beginnen met de afgelopen nacht. Wij hebben weer een verschrikkelijke nacht meegemaakt; het granaatvuur heeft niet opgehouden. Telkens sloegen de granaten vlakbij onze kelder in, steeds meer ruiten gingen in scherven en overal neerstortend puin. Je weet niet wat boven je gebeurt. We zaten elkaar maar aan te kijken en krompen bij elke zware slag ineen. Bidden en nog eens bidden, dat deden we allemaal, het gaf ons de kracht om rustig te blijven en niet naar buiten te vluchten, wat een zekere dood zou zijn. Tegen acht uur was het ineens stil en ben ik even de kelder uitgegaan om wat warm drinken te halen. In de kelder hebben we een boterham gegeten en ieder is om de beurt even naar boven gegaan om zich te wassen. Het bleef stil in de lucht.

Maar toen kwam Antoon de kelder in met de boodschap dat Renkum geheel ontruimd moest worden. Wij wilden het eerst niet geloven, maar bij navraag op het bureau van de Duitsers bleek het wel degelijk waar te zijn. Na overleg met onze buren, besloten wij dan ook maar zo spoedig mogelijk te vertrekken. We hebben vlug wat klaarliggende dekens, kleding en levensmiddelen ingepakt, de fietsmanden volgeladen, nog wat kleine koffertjes gepakt en we moesten gaan.

Het eten dat voor zondag bestemd was, hebben we op de grond gezet voor de hond die ik niet mee durfde te nemen. Iedereen was erg zenuwachtig. Het was een geloop en gedraaf, de een wou dit nog meenemen en de ander dat, maar we konden niet meer laden. De kinderen en mama riepen steeds: laten we toch gaan, direct begint het schieten weer. De buurt kwam nog even bij elkaar en wij hebben afscheid van elkaar genomen. Wat viel dat zwaar en menige traan kwam eraan te pas. Ik ben nog eenmaal het huis doorgegaan en weg gingen we.

We lieten alles achter, de zaak waar wij twintig jaar lang hard voor gewerkt hebben, we hebben hem gemaakt tot de beste van de omgeving. Onze prachtige werkplaats en ons huis, waar wij zoveel lief en leed hebben meegemaakt. Alles weg! Overal zagen wij de mensen de huizen uitkomen, allemaal met bundeltjes kleding en dekens onder de armen. Iedereen trok in de richting Bennekom.

Tot overmaat van ramp begonnen de granaten ook weer in te slaan. Wij moesten achter de oude fabriek het bos door en zo naar de Bennekomseweg. Telkens floten de granaten langs en over ons heen. Later hoorden wij dat er nog tien mensen gedood zijn tijdens deze droevige tocht. Een man uit Heelsum heeft zijn eigen vrouw in de tuin moeten begraven, alleen toegedekt met een rietmat. Zij kwam net de deur uit en werd direct door een scherf getroffen.

Op de Bennekomseweg was het een drukte van belang. Een lange file van vluchtelingen, allerlei dingen met zich meevoerend: kruiwagens, kinderwagens, trekwagens, paarden en karren, draagbaren waarop zieken lagen, handwagens met een ladder erop en daar beddengoed bovenop en dan al die oude mensen en ongelukkigen ertussen. Wat een zielig gezicht. De zusters uit het klooster hadden een kruiwagen bij zich en moesten om de beurt kruien. Wij konden hen ook niet helpen, omdat wij genoeg met onze eigen spullen te doen hadden. Zo ging het iedereen: iedereen had genoeg met zichzelf te doen. Wel zag je dat hier en daar oude mensen op een kar werden genomen en zo vooruit werden geholpen, maar het merendeel moest lopen. Fietsen was onmogelijk.

Telkens moesten we wachten, eerst op Wientjes omdat Greta met ons meegelopen was en haar ouders dus niet wisten waar ze was. Toen weer eens om uit te rusten, want met al dat gesjouw waren we erg moe en dat in regen en modder. Dan maar weer verder, we waren blij uit de vuurlinie te zijn toen we Bennekom doortrokken.

De mensen stonden allemaal langs de straten, en aan hun gezichten kon men zien dat ze diep medelijden met ons hadden, maar daar kwamen we niet veel verder mee en waar moesten wij naar toe? We sjouwden maar voort, zonder doel. In Ede werd ons toegeroepen dat Ede vol zat met vluchtelingen en dat wij door moesten naar Scherpenzeel, nog eens vier uren lopen en wij waren al vier uur onderweg. Dat brengen wij niet op, de kinderen konden haast niet meer vooruit en mama was ook doodmoe. Toch moesten we verder en we trokken Ede door, de grote straatweg Arnhem-Utrecht op.

Een paar kilometer verder werden we geroepen door een boer, de heer Janssen, die ons een glas melk aanbood en ons naar zijn broer, iets verder het land in verwees. Daar konden wij ‘s nachts blijven. De familie Witteveen bleef ook bij ons, zodat wij met 21 personen bij de heer Janssen onderdak kregen.

Door en door moe waren we allemaal en we waren o zo blij dat wij wat konden uitrusten. Met een paar boterhammen en een warme kop drinken kwamen we alweer wat bij. Nadat we al onze avonturen nog eens verteld hadden, zijn we bij een carbidlantaarn gaan slapen. Een der ongelukkigste dagen in ons hele leven was voorbij: de dag dat met een klap al ons bezit verloren ging.
Wanneer zullen wij ooit terugkeren?